Ik staarde naar de grond,
daar waar jij het gat groef.
Mijn beide handen geketend,
afvragend waarom ik je last niet droeg.
–
Het zand verblindde je gezicht,
elke schep bracht me dichterbij.
Jij als beste stuurlui aan wal,
ik met beide voeten in de klei.
–
Het gat dat langzaam ontstond,
leek een bodemloze put te zijn.
Goed genoeg om iets te planten,
maar liefde groeit niet in schijn.
–
Striemen vormden op mijn polsen,
riep om hulp die nimmer kwam.
Was gericht aan dovemans oren,
doofde langzaamaan de vlam.
–
Met het mes reeds in mijn rug gestoken,
sneed ik alle knopen door.
Mijn handen lieten tekens zien,
waar ik mijzelf steeds weer verloor.
–
Langzaam kwam ik bloedend los,
viel op mijn knieën voor het gat.
Diepte laat geen bomen groeien,
droogte legt het leven plat.
–
Je keek me aan met natte ogen,
afvragend waarom ik je last niet droeg.
Terwijl ik met striemen op mijn polsen,
onze liefde daar begroef.
Geef een reactie